Ibens Logo

Wanneer is een organisatie onderworpen aan de wet overheidsopdrachten?

Voor veel organisaties is het niet altijd meteen duidelijk of een bouwproject onder de wet overheidsopdrachten valt. Toch is die vraag essentieel. Ze bepaalt niet alleen welke procedure gevolgd moet worden, maar ook hoe en wanneer je de markt kan betrekken, en hoeveel ruimte er is voor dialoog en samenwerking.

Wat regelt de Wet Overheidsopdrachten?

De Wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten vormt samen met het Koninklijk Besluit Plaatsing van 18 april 2017 en diverse andere uitvoeringsbesluiten het Belgische basiskader voor overheidsopdrachten. Deze regelgeving zet de Europese aanbestedingsrichtlijn (Richtlijn 2014/24/EU) om in Belgisch recht.

Het uitgangspunt is dat een overheid die een opdracht wil laten uitvoeren – of het nu om werken, leveringen of diensten gaat – de mededinging moet laten spelen, zodat iedere geïnteresseerde ondernemer een gelijke kans krijgt de opdracht te verwerven. Boven bepaalde drempelbedragen moet die opdracht via formele procedures worden bekendgemaakt en gegund. Dit geldt voor uiteenlopende aankopen, van bouwprojecten tot IT-diensten en meubilair.

Het vertrekpunt: wie is aanbestedingsplichtig?

In grote lijnen geldt de wet overheidsopdrachten voor organisaties die optreden als publieke of semipublieke opdrachtgevers. Dat gaat niet alleen over klassieke overheden, maar ook over organisaties die een publieke opdracht uitvoeren of hoofdzakelijk met publieke middelen werken.

Typische voorbeelden zijn:

  • overheden en overheidsdiensten
  • lokale besturen
  • zorg- en welzijnsorganisaties met publieke verankering
  • onderwijsinstellingen
  • andere instellingen die een opdracht van algemeen belang vervullen

Of een organisatie effectief onderworpen is, hangt niet af van haar naam of statuut alleen, maar van haar rol, financiering en opdracht. Dat maakt dat de beoordeling soms minder zwart‑wit is dan ze lijkt.

Om aanbestedingsplichtig te zijn drie voorwaarden tegelijk vervuld zijn: een doel van algemeen belang (niet commercieel), rechtspersoonlijkheid, en minstens één vorm van overwegende overheidsinvloed. De "50%-subsidieregel" is slechts één mogelijke invulling van dat derde criterium en volstaat op zichzelf niet – zonder de eerste twee criteria is er géén aanbestedingsplicht. Omgekeerd kan een organisatie ook zonder >50% financiering aanbestedingsplichtig zijn, bijvoorbeeld wanneer de overheid meerderheidstoezicht uitoefent of de bestuurders benoemt. 

Zelfs wanneer een organisatie niet als aanbestedende overheid kwalificeert, kan zij voor een specifiek project toch moeten aanbesteden als dat project voor meer dan 50% door de overheid wordt gesubsidieerd, boven de Europese drempel ligt en een bepaald type werk betreft (zoals een school of zorginstelling).